De Mooiste club van Nederland

Ik was zes en het lange wachten was klaar: Ik mocht op voetbal. En niet zomaar op voetbal. Ik ging spelen bij de allermooiste club van Nederland. Dat wist ik zeker. De Ajax Sportman Combinatie (ASC) in Oegstgeest. Elke woensdagmiddag en zaterdagochtend liep ik, trots als een pauw in mijn rood-zwarte shirt, naar de Duivenvoordestraat waar de club (net 100 jaar geworden) het sportpark had. Eerst nog aan de hand van een ouder en niet veel later alleen. Het was een sportpark zoals ik dat het liefst zie: Midden in de woonwijk, met huizen aan alle vier de kanten. Daar werd je niet afgezet met de auto. Daar paradeerde je naartoe.

De afgelopen jaren riep iedereen om ’t hardst dat er meer gelopen en gefietst moet worden en dat we de auto misschien maar eens moeten laten staan. Utrecht, de stad waar ik zelf woon, misschien nog wel als schreeuwend voorbeeld. Toch laten trends rondom autobezit zeker niet een structureel dalende trend zien.

Ruim 15 jaar nadat ik voor het laatst op de Duivenvoordestraat tegen een bal aan schopte ging ik weer eens kijken. Weer de wandeling (een kippeneindje van een paar honderd meter) vanaf het huis waar ik opgroeide naar het sportpark waar ik elke grasspriet van kende en elke zaterdag spendeerde. Er zat zelfs nog steeds een gat in het hek aan de achterkant, waar ik met mijn maatje Bas doorheen klom om te kunnen voetballen als de hoofdingang dicht zat.

Het sportpark lag er verlaten en overwoekerd bij, want ook ASC deed wat bijna alle voetbalclubs dezer dagen doen: Verhuizen naar de rand van het dorp. Het liefst dichtbij een snelweg met lekker veel parkeerplaatsen zodat je er makkelijk met de auto kan komen. Autobereikbaarheid als belangrijkste graadmeter voor succesvol ruimtelijk beleid. Het aantal kinderen dat hier zelfstandig kan komen zonder een grote weg over te steken is op een hand te tellen.

Mijn voetbalschoenen hangen al een tijdje aan de wilgen en ik ga tegenwoordig met mijn rugbyschoenen een paar keer per week op de fiets richting de Utrechtse Rugby Club. Voor mij goed te fietsen, ben inmiddels volwassen en dus iets handiger in het verkeer, maar zeker het laatste stuk is altijd even opletten. Als ik aankom zie ik namelijk dozijnen ongeduldige ouders  wachten in hun auto, aankomen of juist net weg rijden om hun kroost op te halen. Ook bij Sportpark Rijnvliet (inclusief voetbal-, hockey- en tennisclub) geldt immers dat autobereikbaarheid de belangrijkste eis is. Ik zou met al die auto’s ook mijn kinderen hier niet zelfstandig laten ronddwalen.

Ik twijfel geen seconde aan de goede intenties van de gemeente Oegstgeest, Utrecht of de vele anderen die we in dit land hebben als ze zeggen dat ze minder autoafhankelijkheid willen. Maar als je al je sportparken aan de randen van de stad legt, moet je niet raar opkijken dat je inwoners zeggen dat ze niet zonder auto kunnen. Zorg in je nieuwbouwplannen voor dat er ook ruimte is voor een voetbal-, hockey-, rugby-, basketbal-, of wat dan ook voor club is. Goed mobiliteitsbeleid begint immers met goed ruimtegebruik. Dan krijg je vanzelf weer kleintjes die met trots in hun sportkostuum door de buurt drentelen op weg naar de mooiste club van Nederland.